Counseling bij depressieve klachten

Inhoudsopgave:

Wat is depressie

Depressie moet niet worden verward met de ‘gewone’ neerslachtigheid die iedereen wel eens heeft. De neerslachtigheid bij depressie is heviger en klaart na een paar dagen niet vanzelf op. Bovendien tast depressie het dagelijks functioneren aan.

Klik op deze link om verder te lezen op de website van het Trimbos Instituut.

Websites over depressie

www.ggzdrente.nl
www.depressiecentrum.nl
www.medischestartpagina.nl
Het landelijk basisprogramma voor depressie: www.trimbos.nl/Downloads/Producten/Totaal LB Depressie met omslagen.pdf

Stepped care

Bron: www.trimbos.nl

Volgens het uitgangspunt van stepped care (getrapte zorg) wordt een patiënt in eerste instantie de meest effectieve, minst belastende, goedkoopste en kortste vorm van behandeling die mogelijk is gezien de aard en de ernst van de problematiek aangeboden. Pas als deze minimale interventie onvoldoende effect heeft wordt naar een intensievere interventie overgegaan.
Stepped care past in de ontwikkeling richting zogenaamde disease management programma’s, die binnen de somatische gezondheidszorg al langer worden toegepast.

Zorgcontinuüm

Een volledig uitgewerkt stepped care programma biedt een zorgcontinuüm (in de vorm van een stroomdiagram) voor patiënten met een specifieke stoornis. Naast het stroomdiagram worden behandelprotocollen opgenomen waarin specifieke interventies beschreven staan.

Ontwikkeling

Het stepped care programma is gebaseerd op de laatste wetenschappelijke inzichten en op wensen van patiënten. Binnen Diagnostiek en Behandeling is een transmuraal stepped care programma ontwikkeld voor depressie. Er staan stepped careprojecten op stapel voor depressie bij ouderen en voor angststoornissen.

Praktijk

Het inhoudelijke stepped care programma dient voor de praktijk bruikbaar gemaakt te worden via een organisatorisch raamwerk. Voor elke regio zal in kaart gebracht moeten worden welke hulpverleners wat voor soort interventies aanbieden, zodat het inhoudelijke programma volledig ondersteund wordt door de organisatorische stroomlijning (zie schema). Stepped care kan zo een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de zorg voor mensen met een psychische stoornis.

Contactpersoon

e-mail: Mw. drs. J.A.C.(Jolanda) Meeuwissen.

Publicaties

Oorzaken van depressie

Lichamelijke ziekten

Bij verschillende lichamelijke ziekten kunnen depressies voorkomen. Dit kan op twee manieren veroorzaakt worden.
In de eerste plaats kan een lichamelijke ziekte de werking van de hersenen beïnvloeden. Er is dan sprake van een stemmingsstoornis door een lichamelijke aandoening. Onderzoek heeft bijvoorbeeld aangetoond dat ongeveer 30 procent van patiënten na een CVA (beroerte of herseninfarct) een depressie ontwikkelt. Andere aandoeningen die depressies kunnen veroorzaken zijn bijvoorbeeld ziekten van de schildklier en van de bijnierschors (ziekte van Cushing). Maar er zijn nog enkele tientallen andere ziekten die depressies kunnen veroorzaken. Hoewel we ons hier beperken tot de depressie, moet vermeld worden dat de genoemde ziekten ook andere psychiatrische symptomen (bijvoorbeeld manische symptomen) kunnen veroorzaken.
Ten tweede kan de lichamelijke ziekte een psychologische (psychosociale) factor van betekenis zijn. Het lijden aan een ernstige lichamelijke ziekte kan erg zwaar zijn. Zo ontwikkelen veel patiënten met kanker of met een ziekte die tot invaliditeit leidt, een depressie.
Maar een combinatie van beide is ook mogelijk. Bij een CVA houdt de depressie ten dele verband met de plaats van de vaataandoening in de hersenen (door het infarct is een deel van de hersenwerking uitgevallen) en ten dele met de psychologische factoren als gevolg van bijvoorbeeld een halfzijdige verlamming of problemen met het spreken. De verschijnselen als gevolg van een depressie door een lichamelijke aandoening zijn dan ook meestal niet te onderscheiden van die van andere soorten depressies.

Depressies door medicijngebruik

Er zijn enkele tientallen medicijnen waarvan bekend is dat ze een depressie kunnen veroorzaken.

Depressies door gebruik van middelen

Het langdurig gebruik van alcohol kan aanleiding zijn tot het ontstaan van depressies. Drankgebruik kan er ook toe leiden dat een bestaande depressie wordt onderhouden, dus langer duurt. Omgekeerd kan stoppen met drinken een depressie al doen opklaren, een feit dat helaas onvoldoende bekend is.
Depressies kunnen ook veroorzaakt worden door het gebruik van drugs. Cocaïne en amfetamine zijn de bekendste voorbeelden.

Andere biologische factoren

Depressieve klachten en depressies kunnen ontstaan in de dagen vlak vóór de menstruatie begint (premenstrueel syndroom) en na een bevalling (postpartum depressie). Hoewel psychologische factoren zeker een rol spelen, hebben ook hormonen invloed op de stemming.

Onderzoek naar bestaande ziekten

Omdat diverse lichamelijke ziekten aanleiding kunnen zijn voor een depressie, is het erg belangrijk dat bij elke patiënt met een depressie naar eventuele lichamelijke klachten wordt gevraagd. Daarna dient er een lichamelijk onderzoek plaats te vinden, aangevuld met een laboratoriumonderzoek en eventueel ander hulponderzoek, bijvoorbeeld röntgenonderzoek of een EEG (meting van de elektrische activiteit van de hersenen).
Als een lichamelijke ziekte ontdekt wordt, dient die uiteraard zo snel mogelijk behandeld te worden. Zo kan een te traag werkende schildklier (hypothyreoïdie) eenvoudig gestimuleerd worden met synthetisch schildklierhormoon (bijvoorbeeld Thyrax). De depressie zal dan zeer waarschijnlijk opklaren; hij is als het ware omkeerbaar (reversibel). Dit is meestal niet het geval bij hersenaandoeningen (die zijn dus irreversibel).

Mogelijke biologische oorzaken van depressie

  1. Stressvolle gebeurtenissen.
    Stressvolle gebeurtenissen activeren het sympatische zenuwstelsel, de reticulaire formatie en andere delen van het zenuwstelsel, waardoor de afgifte van norepinefrinem dopamine en bepaalde andere neurotransmitters wordt verhoogd. Vooral intense stress kan leiden tot het sneller vrijkomen van deze transmitters dan ze kunnen worden aangemaakt. Het resultaat kan dan gemakkelijk een verlaagde beschikbaarheid van de transmitters zijn. De postsynaptische neuronen zouden hun aantal receptoren voor de transmitter kunnen laten afnemen als reactie op de grote afgifte van transmitters tijdens de stressperiode. Of ze kunnen hun hoeveelheid transmitters verhogen, als reactie op het latere tekort van transmitter afgifte. Hoewel het netto effect niet precies bekend is op de norepinefrine en dopamine synapsen, is het waarschijnlijk dat hun activiteit verandert, misschien langdurig. Omdat er een verband is tussen deze veranderingen in synapsen en depressie, zou het kunnen zijn dat ernstige stress een depressie kan opwekken. Uit onderzoek is gebleken dat ernstige, langdurige stress niet de primaire oorzaak leek te zijn van een depressie, maar een depressie wel verergerde.
  2. Hormonale veranderingen.
    Fluctuaties in geslachtshormonen, vooral bij vrouwen kunnen een depressie verergeren of, postpartum, tot een depressie lijden, als de vrouw al eerder depressieve episodes heeft gehad. Ook schildklierhormonen kunnen een rol spelen bij de depressie. Het grootste deel van de depressieve en manisch-depressieve patiënten hebben minstens een mild tekort aan schildklierhormoon.
  3. Genetische factoren.
    Zowel de depressie als de manisch-depressieve stoornis komt in families voor. Ongeveer 10-20% van de ouders, broers en zussen van depressieve en manisch-depresieve patiënten lijden zelf ook aan deze stoornis. Vooral personen die een depressie krijgen vóór de leeftijd van 30 jaar hebben hoogstwaarschijnlijk depressieve familieleden. Maar genen vormen waarschijnlijk niet het hele verhaal; het is goed mogelijk dat van een eeneiige tweeling de ene wel depressief is en de ander niet.
  4. Virussen.
    Het borna-virus is een virus dat uitsluitend het zenuwstelsel aantast, zich van het ene naar het andere neuron verspreidt. De incubatie tijd kan variëren van maanden tot jaren en kan leiden tot een depressie of een manische depressie. Hoewel het lichaam wel antistoffen maakt tegen het virus, kunnen deze de bloed-hersenbarrière niet passeren en het virus dus niet bereiken (dit geldt ook voor het AIDS virus). Ook afwijkingen in de werking van de hypofyse, de hypothalamus, de bijschildklier en de ovaria kunnen een rol spelen bij het ontstaan van een depressie, evenals een tekort aan activiteit van catecholamine synapsen. De lage catecholamine activiteit zou bij depressieve personen een tekort aan stimulatie geven van de beloningsgebieden in de hersenen. Zo bleek uit onderzoek met proefdieren, dat depletie van norepinefrine, een van de catecholamines, kon leiden tot inactiviteit, het ontbreken van honger en exploratie. Daarbij kwam ook nog de factor angst, als ook serotonine werd verminderd.
    De linker en rechter hersenhelft vertonen bij depressie een verschil in activiteit; de linker helft, met name de linker frontale cortex, is minder actief.

Oorzaken binnen in de hersenen

Al heel lang proberen allerlei onderzoekers achter de werking van het centrale zenuwstelsel te komen. Verschillende theorieën zijn in de loop van de tijd opgebouwd en vele daarvan zijn inmiddels alweer achterhaald. Tot nu toe is ondanks al het onderzoek nog maar een klein gedeelte van de werking van de hersenen opgehelderd.
De hersenen vormen een zeer complex orgaan met miljarden zenuwcellen. De uitlopers van de zenuwcellen (de zenuwen) zitten niet als elektriciteitsdraden aan elkaar vast. De informatie (in de vorm van elektrische activiteit) kan dus niet zomaar van de ene zenuw direct doorlopen op de andere. Dit gebeurt door middel van afgifte van chemische boodschappers, de neurotransmitters, in de zogeheten synaps (dat is de naam voor het contactpunt tussen twee zenuwcellen, de plek waar het uiteinde van de ene zenuwvezel dat van een andere zenuw raakt).
In het ene zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Als er een zenuwimpuls door de zenuw loopt en het uiteinde bereikt, zullen die blaasjes zich naar het uiteinde van de zenuw verplaatsen en daar openspringen. Zo komen de neurotransmitters terecht in de smalle ruimte tussen de beide zenuwen, de zogeheten synaptische spleet. Op het oppervlak van de andere zenuw bevinden zich de zogeheten receptoren (de ‘ontvangers’). Die geven, zodra ze met een bij hen passende neurotransmitter in aanraking komen, een elektrische prikkel af, waarna de informatie zijn weg verder kan vervolgen.
Wanneer het signaal is doorgegeven, kan de ‘gebruikte’ neurotransmitter afgebroken worden of weer worden opgenomen door de zenuwcel die de neurotransmitter had afgegeven, om een volgende zenuwimpuls over te brengen.

Er bevinden zich in de hersenen verschillende soorten neurotransmitters. De belangrijkste hiervan zijn: serotonine, noradrenaline, dopamine en acetylcholine. Naast deze vier zijn er inmiddels nog ten minste 30 andere ontdekt.
Het onderzoek naar de activiteit van neurotransmitters is aan het eind van de jaren ‘50 van de vorige eeuw op gang gekomen. Toen werd min of meer bij toeval ontdekt dat een bepaald middel tegen allergie (Imipramine) over antidepressieve eigenschappen beschikte. Dit lijkt toe te schrijven aan het vermogen van dat middel om de hoeveelheid neurotransmitter in de synaps te verhogen.
Normaal verdwijnt na de impulsoverdracht van de ene op de andere zenuw de neurotransmitter heel snel weer uit de synaps. Dat komt vooral doordat de neurotransmitter weer wordt teruggenomen (heropname) door de zenuwcel waaruit hij was afgegeven. Door deze heropname af te remmen zal de hoeveelheid neurotransmitter in de synaps langer in voldoende mate aanwezig blijven.
Bij mensen met depressies is ontdekt dat er in bepaalde delen van de hersenen een relatief tekort aan de neurotransmitters serotonine en/of noradrenaline bestaat. Ook is ontdekt, dat de concentratie van de afbraakproducten van beide stoffen in de hersenvloeistof verlaagd is. Men weet niet of deze tekorten aangeboren zijn of later pas zijn ontstaan.
De oudere antidepressiva remmen in meer of mindere mate zowel de heropname van serotonine als van noradrenaline. Hierdoor wordt de balans van noradrenaline en serotonine in de hersenen hersteld. Het werkingsmechanisme van deze middelen berust dus op een tweeledig principe; vandaar dat ze ook wel ‘tweeledig werkzame antidepressiva’ worden genoemd. Er zijn aanwijzingen dat ze op grond van dit werkingsmechanisme ook beter werken, vooral bij ernstige depressies.
Van de moderne middelen werkt mirtazapine (Remeron) ook via een tweeledig werkingsmechanisme. Het betreft hier een effectief negatief terugkoppelingsmechanisme, dat te ingewikkeld is om in dit bestek uit te leggen. Waar het om gaat is dat bij tweeledig werkende antidepressiva de balans tussen serotonine en noradrenaline in de hersenen wordt hersteld, hetgeen bijdraagt aan het genezingsproces.
Tot slot is er ook een groep antidepressiva die weer anders werkt: zij remmen de stof monoamineoxidase, die verantwoordelijk is voor de afbraak van neurotransmitters in de synapsspleet. Ook hier is het gevolg een toename van serotonine en noradrenaline.
Stemmingen worden waarschijnlijk door verschillende delen in de hersenen beïnvloed, maar er zijn enkele gebieden die in het centrum van de stemmingservaringen lijken te staan. Hieronder volgen enkele plaatjes van stemmingsveranderingen in deze gebieden en daarbij zal worden aangegeven waar deze gebieden in de hersenen zijn gelokaliseerd.

Het limbische systeem

Dit is het gebied in de hersenen wat het meest direct betrokken lijkt te zijn bij de regulatie van emotionele problemen bij de mens. Een deel van het limbisch systeem, de gyrus cinguli, is betrokken bij stemmingsveranderingen. Andere delen van het limbisch systeem zijn het geheugencentrum (hyppocampus) en het angstcentrum (amygdala).

Door gebruik te maken van PET-scans is het tegenwoordig mogelijk om de structuren in de hersenen zichtbaar te maken, die betrokken zijn bij emoties. In onderstaande plaatjes is een deel van het limbisch systeem “in actie”te zien. Links een PET-scan, met verhoogde- (rood) en verlaagde- (groen) hersenactiviteit. In het rechter plaatje is te zien waar de gyrus cinguli, het centrum van het limbische systeem, zich bevindt in de hersenen (rood omcirkeld).


Bron: PsychEducation.org

Bij verdriet is er een gebied met duidelijk verhoogde activiteit te zien, rood gemarkeerd, Cg25. Dit is de “anterior gyrus cinguli ”. Het achterste deel van de gyrus cinguli, pCg31, vertoont tegelijkertijd een daling in activiteit (groen).

Bij herstel van een depressie, bijvoorbeeld door behandeling met prozac, kan onderstaand beeld verschijnen.


Bron: PsychEducation.org

De anterior gyrus cinguli (gebied 25) laat bij deze patiënt een dalingin activiteit zien (groen). Vergeleken met de situatie toen deze patiënt depressief was, is zijn gebied 25 minder actief nu hij zich beter voelt. PCg31, het achterste deel van de gyrus cinguli laat bij deze persoon een grote toename in activiteit zien vergeleken met de depressieve periode. Niet alleen Prozac, maar ook een placebo kan dit effect hebben.

Het feit dat een placebo hetzelfde effect in de hersenen kan geven toont wel aan hoe groot de invloed van verwachtingen, ideeën of overtuigingen op de psyche kan zijn. Hiervan wordt gebruik gemaakt in de cognitieve therapie. Hoewel cognitieve therapie even goed werkt bij de behandeling van depressie, gebeurt er in de hersenen niet precies hetzelfde, zoals verderop zal blijken.

Cognitieve gedragstherapie triggert een ander patroon van veranderingen in hersenactiviteit dan antidepressiva zoals paroxetine, blijkens een eerste pilot onderzoek, gebaseerd op bewijs verkregen via scans. Depressie-scores, zoals gemeten met de Hamilon Depression Rating Scale (HDRS), daalden van gemiddeld 20 naar gemiddeld 6.7, na 6 weken cognitieve gedragstherapie. Pet-scans vertoonden significante stijging van hersenactiviteit in de hippocampus en dorsale gyrus cingularis en een daling van corticale activiteit ( Archives of General Psychiatry 2003;61: 34-41). Ter vergelijking: paroxetine laat veranderingen zien in dezelfde gebieden, maar in tegengestelde richting, met een toename van activiteit in de prefrontale cortex en dalingen in de hippocampus en het dorsale deel van de gyrus cingularis.

Verklaringen voor deze tegengestelde resultaten worden niet gegeven, maar dit geeft wel aan hoeveel er nog niet bekend is over de werking van de hersenen.

Psychologische en/of psychosociale factoren

Depressieve patiënten hebben in de periode voorafgaand aan het uitbreken van de depressie vaak een ‘life event’ doorgemaakt. Meestal gaat het om het overlijden van een dierbare of het verbreken van een relatie. Maar ook schijnbaar kleine gebeurtenissen kunnen aanleiding zijn voor een, depressie. Waarschijnlijk is er dan sprake van de druppel die de emmer deed overlopen, en hebben zich daarvóór al ernstige gebeurtenissen afgespeeld, waartegen de patiënt kennelijk nog net wél bestand was.
Ingrijpende gebeurtenissen zijn slechts bij een deel van de mensen aanleiding voor een depressie. Er moeten dus meer factoren zijn die een rol spelen. Dat kunnen bijvoorbeeld bepaalde nare jeugdervaringen of bepaalde persoonlijkheidseigenschappen zijn, of een manier van denken.
De ervaring heeft geleerd dat mensen met bepaalde karaktereigenschappen of persoonlijkheidskenmerken wat vaker een depressie krijgen dan anderen. Mensen die bijvoorbeeld onzeker zijn, last hebben van minderwaardigheidsgevoelens, een negatief zelfbeeld hebben of slecht tegen kritiek kunnen, lijken meer kans te hebben op een depressie. Mensen die heel plichtsgetrouw zijn en een streng geweten hebben, kunnen zich snel schuldig voelen over datgene wat ze gedaan of juist nagelaten hebben. En er zijn ook mensen die te hoge eisen aan zichzelf stellen en overdreven precies zijn. Hierdoor hebben ze regelmatig het gevoel dat ze falen, wat weer aanleiding is voor onzekerheid en minderwaardigheidsgevoelens.
Mensen die vinden dat ze snel afgewezen en niet begrepen worden ten slotte, voelen zich als het om kritiek gaat te snel persoonlijk aangesproken. Ze zijn overdreven aardig, voortdurend op zoek naar genegenheid en bevestiging en stellen zich te afhankelijk op. Het is wetenschappelijk (nog) niet bewezen dat deze factoren daadwerkelijk als oorzaak van belang zijn.
Over de vraag of bepaalde nare jeugdervaringen bij het ontstaan van depressies een belangrijke rol spelen bestaat nog verschil van mening. Het op jonge leeftijd verliezen van één van de ouders zou, volgens onderzoek, wel een verhoogde kans op depressies geven. Als de jeugd voor een groot deel bepaald wordt door emotionele verwaarlozing, eenzaamheid, te veel angst, terechtwijzing en afwijzing zal er ook een (zij het iets minder) verhoogd risico op het ontstaan van depressies bestaan. Zo is er bijvoorbeeld een theorie die beweert dat mensen die in hun jeugd weinig waardering gekregen hebben voor hun prestaties ‘geleerd’ hebben maar niets meer te ondernemen, omdat het toch allemaal niets uithaalt. Het idee geen controle over de situatie te hebben, heeft hen als het ware hopeloosheid aangeleerd. Bij deze mensen zou op grond hiervan eerder een depressie ontstaan na een pijnlijke gebeurtenis. Ook hier geldt: niet iedereen met nare jeugdervaringen krijgt later een depressie, het gaat om een zeer complex geheel (Houtman. 2004).

Enkele psychologische modellen in verband met de ethiologie van de depressie.

Psycho-analytisch model; Freud’s verklaring voor het ontstaan van de depressie begon met een vergelijking tussen depressie en verlies. De twee condities hebben veel gemeen. Beiden gaan gepaard met een negatieve stemming, verlies van interesse in de buitenwereld en geremde activiteit. Een belangrijk verschil tussen depressie en rouw is een verstoord zelfbeeld. Depressieve personen pijnigen zichzelf met te zeggen dat ze waardeloos zijn, moreel verdorven en straf verdienen. Freud merkte het verschil op tussen zulke extreme negatieve gezichtspunten van de persoon zelf en de veel gunstigere opinie van anderen. Met andere woorden, de kijk van de depressieve persoon op zichzelf lijkt niet juist. Freud meende dat depressieve mensen niet werkelijk klagen over zichzelf maar in feite vijandige gevoelens uiten die betrekking hebben op iemand anders. Depressie is daarom de manifestatie van een proces waarin de boosheid naar binnen wordt gekeerd en tegen zichzelf wordt gericht in plaats van tegen de eigenlijke persoon. Waarom zouden sommige mensen de vijandigheid tegen zichzelf richten? Volgens Freud ligt de grondslag hiervan in de vroege jeugd. Mensen die kwetsbaar zijn voor een depressie hebben narcistische interpersoonlijke relaties gevormd. In zulke relaties is de pre-depressieve persoon in hoge mate afhankelijk van de ander. Deze afhankelijkheid wekt frustratie en vijandigheid op. Omdat deze negatieve gevoelens de relaties kunnen bedreigen als ze openlijk zouden worden geuit, worden ze onderdrukt. Problemen ontstaan als de relatie om welke reden dan ook, wordt beëindigd. Het ego van de depressieve persoon identificeert zich waarschijnlijk met de geliefde verloren persoon. De intense vijandigheid die voor de ander werd gevoeld richt zich nu op zichzelf, introjectie. Uitgaande van dit model zou de behandeling bestaan uit een poging om de cliënt bewust te maken van deze onbewuste vijandige gevoelens. Meer direct uiten van deze gevoelens zou de depressie kunnen doen verdwijnen (Oltmans, Neale en Davison, 1986).

Brown en Harris (1978) spreken van kwetsbaarheidfactoren, die tot een depressie kunnen leiden, als er zich een stressvolle levensgebeurtenis voordoet. Deze kwetsbaarheidfactoren zijn: (1) het ontbreken van een intieme, vertrouwelijke relatie (sociale steun); (2) drie of meer kinderen in het gezin onder de leeftijd van 14 jaar; (3) geen werk; (4) verlies van de moeder van de vrouw voor de leeftijd van 11 jaar.

Leer theoretici, zoals Lewinsohn, zijn gekomen met verklaringen, die ook gebaseerd zijn op de relatie tussen verlies en depressie, maar hun concept van verlies en de wijze waarop het individu erdoor wordt geraakt, verschilt duidelijk van Freud’s idee.

Volgens het model van Lewinsohn, is depressie het gevolg van de afname in response-contingente positieve reïnforcement. Gereduceerde activiteit, en niet zelf-kritiek, wordt gezien als het centrale kenmerk van de depressie. Dit model veronderstelt een reciproke relatie tussen stemming, activiteit en plezierige gebeurtenissen: als de persoon meer depressief raakt, wordt hij minder actief en ervaart daardoor minder prettige gebeurtenissen. Hij wordt dan nog depressiever, nog minder actief, en zo verder. Bovendien wordt volgens de sociaal leren theorie de depressieve persoon oorspronkelijk bekrachtigd in zijn depressief gedrag. Andere reageren in eerste instantie empathisch en met veel aandacht als de depressieve persoon huilt of praat over depressief makende ideeën of gebeurtenissen. Helaas is het resultaat van dit proces op lange termijn meestal negatief; de enkele vrienden, die de depressieve persoon nog overhoudt krijgen genoeg van dit gedrag en beginnen verder contact te vermijden. In dit model speelt het gebrek aan sociale vaardigheden een belangrijke rol. Depressieve personen kunnen anderen juist van zich doen afkeren door hun onaangepaste sociale gedrag. Daarom zou een belangrijk aspect van de behandeling bestaan uit het onderzoeken van het gebrek aan specifieke vaardigheden en de persoon meer effectieve manieren leren om met anderen om te gaan.

Naast de sociale- en gedragsaspecten van depressie, is het ook belangrijk om te letten op de wijze waarop depressieve personen hun omgeving waarnemen of interpreteren.

Beck veronderstelde dat bepaalde negatieve cognitieve patronen een prominente rol spelen bij mensen die het risico lopen om een depressie te ontwikkelen. De manier waarop depressieve personen informatie verwerken over zichzelf en hun omgeving is waarschijnlijk vervormd door de activatie van cognitieve schema’s die de negatieve interpretaties van de patiënt vormen, waardoor positieve interpretaties worden verhinderd. Een schema wordt door Beck gedefinieerd als een structuur voor het screenen, coderen en evalueren van binnenkomende informatie. De informatieverwerking bij depressieve personen wordt vertekend door selectieve aandacht, selectieve interpretatie en selectieve geheugenprocessen. De schematische verwerking van binnenkomende informatie wordt door deze processen negatief gekleurd, wat leidt tot een negatieve stemming en het verminderen van het activiteitenniveau (Bögels en van Oppen, 1999). Therapie richt zich op de cognitieve processen.

Beck onderscheidt drie samenhangende cognitieve processen als kenmerkend voor een depressieve persoon:

  1. de cognitieve triade; depressieve personen hebben een negatieve kijk op:
    1. zichzelf (ik ben een mislukkeling)
    2. de toekomst (ik zal hier altijd moeten blijven werken)
    3. de wereld (niemand geeft om mij)
  2. verkeerde informatieverwerking; karakteristieke systematische denkfouten
    1. willekeurige gevolgtrekking (ongegrond, negatieve conclusies trekken)
    2. selectieve abstractie (op grond van een klein negatief detail de hele gebeurtenis negatief beleven)
    3. overgeneralisatie (vergaande conclusies trekken op basis van een onbeduidend voorval
    4. personalisatie (onterecht de verantwoordelijkheid op zich nemen van een negatief voorval
    5. dichotoom denken (zwart-wit denken of alles-of-niets)
    6. vergroting/verkleining (het belang van negatieve ervaringen overdrijven en het belang van positieve ervaringen onderschatten)
  3. negatieve zelfschema’s; de informatieverwerking bij depressieve personen wordt gekenmerkt door selectieve aandacht, selectieve interpretatie en selectieve geheugenprocessen; de schematische verwerking van binnenkomende informatie wordt door deze processen negatief gekleurd, wat leidt tot een negatieve stemming en het verminderen van het activiteitenniveau. Deze schema’s stammen van negatieve ervaringen uit de jeugd en vormen een kwetsbaarheidfactor gedurende iemands leven. Deze schema’s zijn latent aanwezig, maar kunnen geactiveerd worden door ervaringen die lijken op de ervaringen uit de kindertijd die het schema vormden (Bögels en van Oppen, 2002).

De theorie van de geleerde hulpeloosheid, van Seligman en het herziene model van Abramson, Seligman en Teasdale (1978), nemen een soortgelijk standpunt in. Volgens dit model zal het effect van iemands falen afhangen van waaraan hij dit toeschrijft. In feite denkt men dat het depressiegevoelige individu een “depressieve attributiestijl” vertoont, de neiging om een slecht resultaat toe te schrijven aan persoonlijke, globale, stabiele karakterfouten. Als mensen met deze stijl ongelukkige, nare ervaringen meemaken, worden ze depressief en het zelfvertrouwen wordt ondermijnd.

Hoewel depressieve personen zich vaak negatief uitlaten over zichzelf, blijft de vraag, of cognities antecedenten of consequenties zijn van emotionele veranderingen. Uit longitudinaal onderzoek is gebleken dat dysfunctionele attitudes en neigingen tot cognitieve vervorming niet vooraf gaan aan de depressie, maar synchroon met negatieve stemmingen lijken te verschijnen en te verdwijnen.

Therapie

De behandeling van angst en depressie vertoont veel overeenkomst. Zo kan angst medicamenteus worden behandeld met anxiolitica, maar ook met antidepressiva, waaronder Paroxetine. Daarnaast zijn beide stoornissen goed te behandelen met cognitieve gedragstherapie. De werking van beide methoden zal kort worden toegelicht.

Antidepressiva

De nu volgende informatie komt van de web-site: Psycheducation.org, Brain Tours menu.
Antidepressiva blokkeren de recycling van neurotransmitters met als gevolg dat er meer neurotransmitter in de synaptische spleet blijft. In nevenstaand model, waar Prozac (P) is gebruikt, is dit te zien.

Prozac verhoogt nog dezelfde dag het serotonine, maar dit leidt niet onmiddellijk tot een afname van de depressie. Dit kan dagen tot weken duren. Waarom dit zo is wordt hierna uitgelegd.

Zowel antidepressiva als ECT (electrochock therapie) verlagen het aantal receptoren in de post-synaptische cel. Merk op dat er nu minder blauwe receptors zijn in het model links. Prozac verhindert de heropname en verhoogt de serotonine concentratie. Dit gebeurt binnen 24 uur na inname van het antidepressivum.

Wat er daarna gebeurt, is pas de afgelopen 10 jaar duidelijker geworden. De neurotransmitter is de “eerste boodschapper”. De “tweede boodschapper” bevindt zich in de post-synaptische cel. In de figuur zijn de veranderingen te zien, die zich in de cel afspelen.

De afname in het aantal receptoren buiten de cel gaat gepaard met een toename van cyclisch AMP (cAMP) binnen de cel. cAMP is het eerste molecule in een rij van “tweede boodschappers”.

Als al deze boodschappers samenwerken wordt door de celkern (geel gekleurd) uiteindelijk een stof afgegeven, „brain derived neurotrophic factor”( BDNF), een molecule dat neuronen stimuleert, laat groeien en bloeien (trophe betekent voeding). Zonder deze factoren daalt de activiteit van neuronen en ook het aantal verbindingen met andere cellen. Oestrogeen is een andere neurotrope factor.

Alle anti-depressiva hebben dit eindresultaat, maar ook ECT, lichaamsbeweging en rTMS (repetitieve Transcraniële Magnetische Stimulatie), zoals blijkt uit de meting van BDNF in het bloed.

Uit onderzoek met ratten is gebleken dat stress het BDNF verlaagt. Waarom dit gebeurt, is niet bekend maar er is inmiddels genoeg wetenschappelijk bewijs om aan te nemen dat stress-hormonen, zoals Cortisol en Corticotrope-Releasing-Factor (CRF) hierbij een rol spelen.

Stresshormonen in de hersenen kunnen bij geringe stress voor nuttige veranderingen zorgen, maar bij langdurige stress kunnen deze veranderingen schadelijk zijn. De hippocampus kan onder chronische stress letterlijk krimpen, tengevolge van celdood. Hierbij speelt CRF mogelijk een rol.

Cognitieve gedragstherapie

Cognitie is een ander woord voor gedachten. Gedachten staan centraal in deze vorm van therapie. Bij de depressie zijn negatieve gedachten een automatisch proces geworden. Het lijkt daadoor alsof de depressieve persoon vanzelfsprekend een bepaald gevoel krijgt naar aanleiding van een gebeurtenis of een situatie. Schematisch weergegeven, ziet dat er als volgt uit:
Situatie → (automatische) gedachte → gevoel / emotie (bijv. angst) → gedrag

Om vervelende gevoelens zoals angst, somberheid, verdriet en gespannenheid te verminderen is het belangrijk om na te gaan, door welke gedachten deze ontstaan.
De bedoeling in deze vorm van therapie is om te leren de automatische manier van denken in bepaalde situaties en bij bepaalde gebeurtenissen te veranderen. Want het is niet de situatie die angstig maakt, maar de beoordeling van de situatie of gebeurtenis.

Denkprocessen doorslaggevend bij depressie

Bron(nen): Radboud Universiteit Nijmegen

De psychiatrie is momenteel te ver doorgeslagen in de biologische richting. Dit betoogt prof.dr. Anne Speckens, als hoogleraar psychiatrie verbonden aan het Universitair Medisch Centrum St Radboud in haar oratie. De biologische psychiatrie vergroot via genetisch onderzoek en neuro-imaging weliswaar het inzicht in het ontstaan van psychische ziekten, maar draagt nog weinig bij aan een betere behandeling. Bij een depressie heeft praten op termijn meer effect dan pillen, stelt zij.
Voorafgaand aan de oratie van Speckens houdt de afdeling Psychiatrie van het UMC St Radboud een symposium over de mogelijkheden van gesprekstherapieën, die erop gericht zijn om bij depressieve patiënten psychologische processen bij te sturen.

Malende gedachten

Een depressie ontstaat en blijft in stand onder invloed van enkele essentiële psychologische kernprocessen, namelijk een negatief zelfbeeld, de neiging om gebeurtenissen negatief te interpreteren en een negatieve kijk op de toekomst. Dit inzicht is uitgangspunt voor de behandeling, die een depressie aanpakt via het veranderen van het denken en van het gedrag; de cognitieve gedragstherapie.

Recent zijn er nieuwe varianten op deze therapie ontwikkeld. Veel depressieve patiënten hebben last van rumineren, dat is het verschijnsel dat negatieve gedachten over klachten, oorzaken, gevolgen en betekenis van de depressie steeds maar blijven rondmalen in de geest. Rumineren is funest voor het genezingsproces. Het hangt samen met zowel het ontstaan als met de ernst en de duur van een depressie.

Klinisch psycholoog Ed Watkins van de Universiteit van Exeter (Engeland) doet veel onderzoek naar rumineren. Het blijkt, dat malende gedachten tot gevolg hebben dat de patiënt meer algemene dan specifieke herinneringen bewaart. Malende gedachten belemmeren een effectieve benadering van problemen en leiden tot een groter geloof in negatieve beweringen over zichzelf. Watkins houdt tijdens het symposium in Nijmegen een inleiding over de aanpak van rumineren via cognitieve therapie.

Aandachtsgericht

Een tweede nieuwe en effectieve variant van cognitieve therapie bij depressie is de aandachtsgerichte vorm. Zo nieuw is dit idee overigens niet; de principes worden als boeddhistische meditatietechniek al eeuwen toegepast. De patiënt wordt geleerd om zijn aandacht te richten op het hier en nu, zonder daar meteen allerlei gevoelens en gedachten bij te ontwikkelen. Het gaat er niet om of het glas halfvol of halfleeg is; het gaat om het accepteren van het glas zoals het is. Deze vorm van therapie blijkt vooral effectief in het voorkòmen van een terugval bij mensen die al eerder een depressie gehad hebben. Willem Kuyken, net als Watkins verbonden aan de Universiteit van Exeter, is betrokken bij de introductie van aandachtsgerichte cognitieve therapie in het Britse gezondheidssysteem. Hij geeft tijdens het symposium een voordracht over deze behandelvorm.

Lobby

Het effect van antidepressiva verdwijnt zodra je ermee stopt, terwijl cognitieve therapieën ook op de langere termijn effectief zijn. Daarom vindt de nieuwe hoogleraar Anne Speckens het jammer, dat er vandaag de dag veel meer geld en energie gestoken wordt in biologische dan in psychologische behandelingen van depressie. Speckens denkt dat de lobby van de farmaceutische industrie en het tekort aan cognitief gedragstherapeuten hierbij een rol spelen. Een oplossing zou kunnen zijn om psychiatrisch verpleegkundigen te specialiseren tot cognitief gedragstherapeuten, zegt zij.

Publicatie datum: 12-04-2006

Zelftests depressie

www.depressiecentrum.nl/pagina/depressie-zelftest.48.html
www.outofservice.com/bigfive
www.ggzdrenthe.nl/idx_dpzt.htm
www.piekertest.nl

Aandachtsgericht werken of ‘mindfullness’

Een leuke website, die je stimuleert om direct aan de slag te gaan is:
www.leidenuniv.nl/ics/sz/so/mind/aandacht-oef.htm

De rol van neurotransmittersystemen in de hersenen bij het optreden van een depressie

Wil jij meewerken aan wetenschappelijk onderzoek?

Voor wetenschappelijk beeldvormend hersenonderzoek naar het dopamine systeem zijn we op zoek naar depressieve personen tussen de 18 en 50 jaar, die (nog) geen antidepressieve medicatie gebruiken.

Het onderzoek vindt plaats met behulp van fMRI en Positron Emissie Tomografie (PET). Als u meedoet aan dit onderzoek, wordt u gevraagd een nacht wakker te blijven. Dit heet slaapdeprivatie, en kan een stemmingsverbeterend effect hebben. De PET en fMRI-scan worden voor en na deze nacht gemaakt.

We doen dit om meer te weten te komen over het werkingsmechanisme van depressie en om uiteindelijk betere (biologische) behandelmethoden te ontwikkelen.

Bent u geinteresseerd? U kunt vrijblijvend contact opnemen met mw. M. Mink, Vakgroep Psychiatrie VUMC, telefoonnummer 020-788 5 595. In dit eerste gesprek word gekeken of er verdere afspraken gemaakt kunnen worden.

Vragenlijsten

Hierna volgen een aantal vragenlijsten die je zou kunnen gebruiken ter aanvulling van het verhaal van de cliënt en je eigen observatie.

Hiermee kun je nog een beter beeld krijgen van de depressie, de ernst, de symptomen, de gezondheid, de (irrationele)gedachten, gevoelens, gedrag en sociale steun.

  1. De 4 DKL is een zelfinvulvragenlijst die spanningsklachten, depressie, angst en somatisatie als aparte dimensies meet. Deze dimensies bestrijken het grootse deel van psychische symptomatologie in de huisartsenprakrijk. Goed te gebruiken als screeningsinstrument.
  2. De BDI is een zelfinvulvragenlijst die geschikt is om de ernst van de depressie te meten.
  3. De GGG zelfinvulvragenlijst van Can, vraagt naar gedachten, gevoelens en gedrag. Hoe hoger de score, hoe zinvoller om aan deze drie G’s te werken. Can geeft in zijn boek ook aan hoe je dat kunt doen.
  4. De IBI-50 is een zelfinvulvragenlijst naar irrationele gedachten.
  5. De RAND-36 is een zelfinvulvragenlijst naar algemene gezondheid, zowel psychisch als lichamelijk. Meet in hoeverre het functioneren hierdoor wordt gehinderd.
  6. De SSL-I en SSL-D zijn zelfinvulvragenlijsten, die sociale steun meten. De Sociale Steun Lijst - Interacties (SSL-I) en Sociale Steun Lijst Discrepanties (SSL-D).
  7. Bronnen van spanning op het werk . Zelfinvulvragenlijst voor werkgerelateerde klachten.

4DKL Vierdimensionale klachtenlijst

4DKL Vierdimensionale klachtenlijst

Auteur

B. Terluin

Doelgroep

Adolescenten (vanaf 15 jaar) en volwassenen, die de Nederlandse taal beheersen en niet manifest psychotisch of manisch zijn.

Doel

De 4DKL heeft als doel stresssymptomen te onderscheiden van depressie, angst en somatisatie. De vragenlijst kan zowel worden gebruikt bij wetenschappelijk onderzoek als in de klinische praktijk. De meeste ervaring is tot nu toe opgedaan in de huisartsenpraktijk en in de bedrijfsgezondheidszorg. De vragenlijst is opgenomen in de richtlijn Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met Psychische klachten (2000).

Beschrijving

De 4DKL meet vier dimensies van psychopathologie: Distress, Depressie, Angst en Somatisatie. De Distressschaal vraagt naar psychische spanningsklachten, variërend van licht (piekeren, gespannenheid) tot ernstig (onmacht, demoralisatie). De Depressieschaal vraagt naar specifieke symptomen van een stemmingsstoornis: ernstige anhedonie en depressieve cognities. De Angstschaal vraagt naar specifieke symptomen van angststoornissen: irrationele en fobische angst. De Somatisatieschaal vraagt naar een scala aan functionele lichamelijke klachten.

De 4DKL bestaat uit 50 items, 16 items voor Distress, 6 items voor Depressie, 12 items voor Angst en 16 items voor Somatisatie. De vragen betreffen de periode van de afgelopen week en worden beantwoord op een 5-puntsschaal: “nee”, “soms”, “regelmatig”, “vaak”, “heel vaak” of “voortdurend”.

De 4DKL is voortgekomen uit onderzoek naar psychosociale problemen in de eerstelijnsgezondheidszorg. De meest voorkomende problematiek in deze setting is stressgerelateerd, te benoemen als spanningsklachten wanneer het sociaal functioneren nog redelijk intact is, of surmenage (overspanning) wanneer het sociaal functioneren is verstoord. Het klachtenpatroon van patiënten met spanningsklachten of surmenage wordt gekenmerkt door a-specifieke ‘distress’-klachten. Deze klachten blijken goed te onderscheiden van depressie, angst en somatisatie. Met behulp van de 4DKL kan derhalve een goed onderscheid worden gemaakt tussen ongecompliceerde stressgerelateerde problematiek en psychiatrische stoornissen.

Psychometrische eigenschappen

Bij individueel gebruik in de klinische praktijk kan gebruik worden gemaakt van normscores (decielen) van werknemers (n=3852) en van opeenvolgende huisartspatiënten van 15-65 jaar (n=2127). Van de huisartspatiënten zijn tevens aparte normen berekend voor patiënten met psychosociale klachten (n=665) en patiënten zonder klachten (n=1462). Ook zijn van alle normgroepen aparte normtabellen opgenomen voor mannen en vrouwen.

De 4DKL heeft een hoge interne consistentie, variërend van .84 tot .94 en een hoge test-hertestcorrelatie, variërend van .89 tot .94.

De vragenlijst is vergeleken met bekende Nederlandse vragenlijsten als de Zung Self-Rating Depression Scale, de General Health Questionnaire (GHQ), de Maastrichtse Vragenlijst (MV) en de Hospital Anxiety Depression Scale (HADS). In de eerste plaats bleek de 4DKL een logische samenhang met de overeenkomstige schalen van deze klachtenlijsten te vertonen. Daarnaast bleek de 4DKL ook depressieve cognities te meten, een onderdeel dat niet door de andere instrumenten wordt meegenomen.

Afname

Schriftelijke of direct achter de computer. Individueel en groepsgewijs. De afnameduur is 5-10 minuten.

Scoring

Handscoring met behulp van scoringsformulier: duur 5-10 minuten. Computerscoring: ja.

Meer informatie

De 4DKL is niet alleen beschikbaar voor psychologen en psychiaters, maar ook voor huisartsen, bedrijfsartsen en fysiotherapeuten.

De betrouwbaarheid en criteriumvalideit van de 4DKL werden voldoende beoordeeld, de begripvaliditeit werd goed beoordeeld (Evers e.a., 2000).

 

Copyright © 2004 Datec. All rights reserved.
Laatste verandering: 14-12-2005

 

VierDimensionale KlachtenLijst (4DKL)

De volgende vragenlijst betreft verschillende klachten en verschijnselen die u mogelijk hebt. Het gaat steeds om klachten en verschijnselen die u de afgelopen week (de afgelopen 7 dagen met vandaag erbij) hebt ervaren. Klachten die u daarvoor wel had, maar de afgelopen week niet meer, tellen niet mee.

Wilt u per klacht aangeven hoe vaak u dit in de afgelopen week bij uzelf hebt opgemerkt, door het hokje aan te kruisen dat staat voor het meest passende antwoord.

  nee soms regelmatig vaak heel vaak of voortdurend
Hebt u de afgelopen week last van:          
1. duizeligheid of een licht gevoel in het hoofd? Ο Ο Ο Ο Ο
2. pijnlijke spieren? Ο Ο Ο Ο Ο
3. flauw vallen? Ο Ο Ο Ο Ο
4. pijn in de nek? Ο Ο Ο Ο Ο
5. pijn in de rug? Ο Ο Ο Ο Ο
6. overmatige transpiratie? Ο Ο Ο Ο Ο
7. hartkloppingen? Ο Ο Ο Ο Ο
8. hoofdpijn? Ο Ο Ο Ο Ο
9. een opgeblazen gevoel in de buik? Ο Ο Ο Ο Ο
10. wazig zien of vlekken voor de ogen zien? Ο Ο Ο Ο Ο
11. benauwdheid? Ο Ο Ο Ο Ο
12. misselijkheid of een maag die ‘van streek’ is? Ο Ο Ο Ο Ο
 
Hebt u de afgelopen week last van:          
13. pijn in de buik of maagstreek? Ο Ο Ο Ο Ο
14. tintelingen in de vingers? Ο Ο Ο Ο Ο
15. een drukkend of beklemmend gevoel op de borst? Ο Ο Ο Ο Ο
16. pijn in de borst? Ο Ο Ο Ο Ο
17. neerslachtigheid? Ο Ο Ο Ο Ο
18. zomaar plotseling schrikken? Ο Ο Ο Ο Ο
19. piekeren? Ο Ο Ο Ο Ο
20. onrustig slapen? Ο Ο Ο Ο Ο
21. onbestemde angst-gevoelens? Ο Ο Ο Ο Ο
22. lusteloosheid? Ο Ο Ο Ο Ο
23. beven in gezelschap van andere mensen? Ο Ο Ο Ο Ο
24. angst- of paniek-aanvallen? Ο Ο Ο Ο Ο
 
Voelt u zich de afgelopen week:          
25. gespannen? Ο Ο Ο Ο Ο
26. snel geïrriteerd? Ο Ο Ο Ο Ο
27. angstig? Ο Ο Ο Ο Ο
 
Hebt u de afgelopen week het gevoel:          
28. dat alles zinloos is? Ο Ο Ο Ο Ο
29. dat u tot niets meer kunt komen? Ο Ο Ο Ο Ο
30. dat het leven niet de moeite waard is? Ο Ο Ο Ο Ο
31. dat u geen belangstelling meer kunt opbrengen voor de mensen en dingen om u heen? Ο Ο Ο Ο Ο
32. dat u ’t niet meer aankunt? Ο Ο Ο Ο Ο
33. dat het beter zou zijn als u maar dood was? Ο Ο Ο Ο Ο
34. dat u nergens meer plezier in kunt hebben? Ο Ο Ο Ο Ο
35. dat er geen uitweg is uit uw situatie? Ο Ο Ο Ο Ο
36. dat u er niet meer tegenop kunt? Ο Ο Ο Ο Ο
37. dat u nergens meer zin in hebt? Ο Ο Ο Ο Ο
 
Hebt u de afgelopen week:          
38. moeite met helder denken? Ο Ο Ο Ο Ο
39. moeite om in slaap te komen? Ο Ο Ο Ο Ο
40. angst om alleen het huis uit te gaan? Ο Ο Ο Ο Ο
 
Bent u de afgelopen week:          
41. snel emotioneel? Ο Ο Ο Ο Ο
42. angstig voor iets waarvoor u helemaal niet bang zou hoeven te zijn?
(bijvoorbeeld dieren, hoogten, kleine ruimten)
Ο Ο Ο Ο Ο
43. bang om te reizen in bussen, treinen of trams? Ο Ο Ο Ο Ο
44. bang om in verlegenheid te raken in gezelschap van andere mensen? Ο Ο Ο Ο Ο
45. Hebt u de afgelopen week weleens een gevoel of u door een onbekend gevaar bedreigd wordt? Ο Ο Ο Ο Ο
46. Denkt u de afgelopen week weleens “was ik maar dood”? Ο Ο Ο Ο Ο
47. Schieten u de afgelopen week weleens beelden in gedachten over (een) aangrijpende gebeurte-nis(sen) die u hebt meegemaakt? Ο Ο Ο Ο Ο
48. Moet u de afgelopen week weleens uw best doen om gedachten of herinneringen aan (een) aangrijpende gebeurtenis(sen) van u af te zetten? Ο Ο Ο Ο Ο
49. Moet u de afgelopen week bepaalde plaatsen vermijden omdat u er angstig van wordt? Ο Ο Ο Ο Ο
50. Moet u de afgelopen week sommige handelingen een aantal keren herhalen voordat u iets anders kunt gaan doen? Ο Ο Ο Ο Ο

 

Het scoringsformulier voor de 4DKL kun je downloaden van de website: www.datec.nl

Beck Depressie Zelftest

Kies bij elke vraag één van de onderstaande mogelijkheden; de scoreberekening is handmatig. (op deze site wordt de score automatisch berekend).


Vraag 1.
(0) Ik voel me niet verdrietig.
(1) Ik voel me verdrietig.
(2) Ik ben voortdurend verdrietig en ik kan het niet van me afzetten.
(3) Ik ben zo verdrietig of ongelukkig dat ik het niet meer verdragen kan.
Vraag 2.
(0) Ik ben niet bijzonder moedeloos over de toekomst.
(1) Ik ben moedeloos over de toekomst.
(2) Ik heb het gevoel dat ik niets heb om naar uit te zien.
(3) Ik heb het gevoel dat de toekomst hopeloos is en dat er geen kans op verbetering is.
Vraag 3.
(0) Ik voel me geen mislukkeling.
(1) Ik heb het gevoel dat ik vaker iets verkeerd heb gedaan dan een gemiddeld iemand.
(2) Als ik op mijn leven terugkijk zie ik alleen maar een hoop mislukkingen.
(3) Ik heb het gevoel dat ik als mens een volledige mislukking ben.
Vraag 4.
(0) Ik beleef overal net zoveel plezier aan dan vroeger.
(1) Ik geniet niet meer zoals vroeger.
(2) Ik vind nergens nog echte bevrediging in.
(3) Ik heb nergens meer voldoening van; ik vind alles vervelend.
Vraag 5.
(0) Ik voel me niet bijzonder schuldig.
(1) Ik voel me vaak schuldig.
(2) Ik voel me meestal schuldig.
(3) Ik voel me voortdurend schuldig.
Vraag 6.
(0) Ik voel me niet teleurgesteld in mezelf.
(1) Ik ben teleurgesteld in mezelf.
(2) Ik walg van mezelf.
(3) Ik haat mezelf.
Vraag 7.
(0) Ik overweeg absoluut niet om een eind aan mijn leven te maken.
(1) Ik overweeg wel eens om een eind aan mijn leven te maken, maar ik zou dat nooit doen.
(2) Ik zou een eind aan mijn leven willen maken.
(3) Ik zou een eind aan mijn leven willen maken als ik de kans kreeg.
Vraag 8.
(0) Ik heb mijn belangstelling voor andere mensen niet verloren.
(1) Ik heb nu minder belangstelling voor andere mensen dan vroeger.
(2) Ik heb mijn belangstelling voor andere mensen grotendeels verloren.
(3) Ik heb mijn belangstelling voor andere mensen helemaal verloren.
Vraag 9.
(0) Ik neem nu nog net zo gemakkelijk beslissingen dan vroeger.
(1) Ik stel het nemen van beslissingen meer uit dan vroeger.
(2) Ik heb meer moeite met het nemen van beslissingen.
(3) Ik kan helemaal geen beslissingen meer nemen.
Vraag 10.
(0) Ik heb niet het gevoel dat ik er minder goed uitzie dan vroeger.
(1) Ik maak me er zorgen over dat ik er oud en onaantrekkelijk uitzie.
(2) Ik heb het gevoel dat mijn uiterlijk blijvend veranderd is, waardoor ik er onaantrekkelijk uitzie.
(3) Ik geloof dat ik er lelijk uitzie.
Vraag 11.
(0) Ik kan mijn werk ongeveer even goed doen dan vroeger.
(1) Het kost me extra inspanning om ergens aan te beginnen.
(2) Ik moet mezelf er echt toe dwingen om iets te doen.
(3) Ik ben tot helemaal niets meer in staat.
Vraag 12.
(0) Ik word niet sneller moe dan anders.
(1) Ik word eerder moe dan vroeger.
(2) Ik word moe van bijna alles wat ik doe.
(3) Ik ben te moe om ook maar iets te doen.
Vraag 13.
(0) Ik heb niet minder eetlust dan anders.
(1) Ik heb minder eetlust dan vroeger.
(2) Ik heb veel minder eetlust dan vroeger.
(3) Ik heb helemaal geen eetlust meer.

Score-uitleg.

0-3 punten: U bent waarschijnlijk niet depressief.
De kans dat u aan een depressie lijdt is klein.

4-11 punten: U bent mogelijk licht depressief.
De kans dat u aan een depressie lijdt is niet groot.

12-16 punten: U bent mogelijk matig depressief.
De kans dat u aan een depressie lijdt is duidelijk aanwezig.
Het is aan te bevelen hierover een deskundige, bijvoorbeeld uw huisarts, te raadplegen.

17 punten of meer: U bent mogelijk ernstig depressief.
De kans dat u aan een depressie lijdt is groot.
Het is nodig dat u hierover een deskundige, bijvoorbeeld uw huisarts, raadpleegt.

 

© DepressieSteunpunt.com 2004

 

Je welzijn aanpakken aan de hand van je Gedachten, Gevoelens en Gedrag

In welke uitspraken herken jij jezelf (1=absoluut niet herkenbaar tot 5=zeer herkenbaar).

    Score 1-5
Denken Wat heeft het voor zin dat ik……..  
Voelen Ik ben toch hopeloos.  
Doen Zo reageerde ik vroeger niet.  
Denken Ik vraag me af of mijn lichaam nog wel goed functioneert.  
Voelen Ik voel mij niet goed en ben bang dat ik een hersentumor heb.  
Doen Ik ben vaak en veel bezig met mijn lichamelijk functioneren en daarom controleer ik mijn lichaam regelmatig.  
Denken Waarom ben ik zo…………………………………… geworden.  
Voelen Ik walg van mezelf.  
Doen Ik krop alles op.  
Denken Volgens mij valt het anderen op dat ik me niet op mijn gemak voel.  
Voelen Ik voel me verplicht om me te bewegen.  
Doen Ik heb de neiging in gezelschap weg te lopen.  
Denken Ik snap niet waarom ik zo geworden ben.  
Voelen Ik heb het gevoel dat alles mij gewoon maar overkomt.  
Doen Ik weet me geen raad meer.  
Denken Ik zie er niet uit.  
Voelen Ik ben radeloos.  
Doen Ik heb de neiging te zeuren en weinig tot niets te ondernemen.  
Denken Ik ben een dood mens in een levend lichaam.  
Voelen Ik heb geen moed meer om te leven.  
Doen Ik ben niet vooruit te branden.  
Denken Ik klaag niet als het me tegenzit.  
Voelen Ik kan mezelf niet helpen.  
Doen Ik ben een pispaaltje.  
Denken Het is moeilijk aan te geven wat voor soort pijn ik heb.  
Voelen Ik ben me niet bewust van mijn lichaam.  
Doen Ik stel me over het algemeen passief op.  
Denken Zo slecht heb ik me nog nooit gevoeld.  
Voelen Ik ben niets waard.  
Doen Ik zit vaak te piekeren.  
Denken Ik ben onaantrekkelijk en weerzinwekkend.  
Voelen Ik heb het gevoel dat ik niets voorstel.  
Doen Ik ben niet de moeite waard.  
Denken Ik kom nooit van deze depressie af  
Voelen Ik heb gefaald in dit leven  
Doen Alles is mijn schuld  
Denken Er zit iets geks in mijn hoofd  
Voelen Ik wil wel seks, maar het lukt me niet  
Doen Ik krijg tijdens seks geen erectie/orgasme en voldoening  
Denken Wat ik nu heb is belangrijk voor me  
Voelen Ik heb het gevoel dat ik flauwval  
Doen Ik ben een mopperkont  
Denken Ik zie alles zwart in  
Voelen Ik kan niet beter worden  
Doen Ik trek vaak te snel algemene conclusies  
Denken Ik ben een gevangene van mijn verleden  
Voelen Ik voel me gauw gekwetst  
Doen Ik zit meestal maar wat te staren  
Denken Ik kan niet positief denken  
Voelen Ik voel me buitengesloten  
Doen Ik zoek niet graag gezelschap  
Denken Voor mij is alles zwart  
Voelen Het wordt helemaal niets met mij  
Doen Ik ben prikkelbaar en opvliegend  
Denken Ik ben verward  
Voelen Ik voel me niet goed als ik iets op een andere manier doe,dan dat ik het zou willen doen  
Doen Ik wordt moe van mijn eigen gedachten en gedrag  
Denken Alles is lelijk geworden  
Voelen Ik voel geen verschil tussen dag en nacht  
Doen De tijd heeft geen betekenis voor me  
Denken Kon ik maar iets aan mijn situatie doen. Ik zou er alles voor over hebben  
Voelen Ik voel me vaak lusteloos en moe zonder dat ik weet waarom  
Doen Ik ben tot helemaal niets meer in staat  
Denken Wat heeft het voor zin dat ik…………………………………  
Voelen Ik ben star  
Doen Ik schiet tekort in mijn normale functioneren  

 

Bron: “Leren omgaan met je depressie.” MURAT CAN

 

Het meten van irrationele cognities met de Irrational Beliefs Inventory (IBI-50), een handleiding

(ISBN 90 72156 61 7)

Auteurs: Irma Timmerman, Robbert Sanderman, Petra C. Koopmans, Paul M.G. Emmelkamp

De rol die aan (irrationele) cognities wordt toegekend in de ontwikkeling en instandhouding van psychopathologie heeft geleid tot de ontwikkeling van meetinstrumenten die (irrationele) cognities meten. In de BI zijn schalen opgenomen voor het meten van piekeren, rigiditeit, behoefte aan waardering, externe controle en probleemvermijding. In deze uitgave worden de psychometrische kwaliteiten van de IBI en de relatie van de subschalen met psychopathologie uitgebreid beschreven.

 handleiding in pdf formaat






Het meten van de algemene gezondheidstoestand met de RAND-36, een handleiding

(ISBN 90 72156 60 9)

Auteurs: Karen I. van der Zee, Robbert Sanderman

De RAND-36 is ontstaan vanuit de toenemende behoefte aan meetinstrumenten om de algemene gezondheidstoestand vast te leggen. Dit recent ontwikkelde instrument bevat schalen voor fysiek functioneren, sociaal functioneren, rolbeperkingen door fysieke of emotionele problemen, mentale gezondheid, energie, pijn en algemene gezondheidsbeleving. Deze uitgave geeft een overzicht van de eerste psychometrische bevindingen.

handleiding in pdf formaat






SPSS syntaxfiles voor het berekenen van:
- RAND-36 schaalscores
- SF-36 schaalscores

Het meten van sociale steun met de Sociale Steun Lijst

(ISBN 90 72156 59 5)

Auteur: Eric van Sonderen

Sociale steun is een begrip dat de laatste jaren voorkomt in talrijke verslagen over onderzoek rond ziekte en welbevinden. Tegelijkertijd blijkt uit deze verslagen dat niet duidelijk is wat onder sociale steun verstaan moet worden, en hoe het gemeten moet worden. Op basis van grondig conceptueel onderzoek zijn enkele instrumenten geconstrueerd die (aspecten van) sociale steun betrouwbaar en valide kunnen meten. Inmiddels is er met enkele van deze instrumenten ervaring opgedaan in uiteenlopende onderzoeken. In deze uitgave worden de resultaten met betrekking tot het meten van de hoeveelheid verkregen steun (SSL-I) en de tevredenheid over de verkregen steun (SSL-D) op een rijtje gezet.

 handleiding in pdf formaat




Bronnen van spanning op uw werk

Voor iemand kan op een zeker moment bijna alles een bron van stress zijn en individuen kijken verschillend aan tegen mogelijk bronnen van stress. Degenen die zeggen dat zij „momenteel onder een verschrikkelijke druk staan op het werk” bedoelen meestal dat zij te veel werk te doen hebben. Dit is eigenlijk maar een deel van het totale beeld.

De hieronder vermelde onderwerpen zijn allemaal mogelijke bronnen van stress. U wordt verzocht aan te geven in hoeverre zij een bron van spanning voor u zijn. U kunt uw antwoord aangeven door het cijfer van uw keuze te omcirkelen. De betekenis van elk cijfer wordt hieronder beschreven.

1 = Helemaal niet
2 = Nauwelijks
3 = Meer niet dan wel
4 = Meer wel dan niet
5 = Erg
6 = Heel erg
Helemaal
niet

Heel
 erg

1. De onregelmatigheid van werktijden. 1 2 3 4 5 6
2. Het bijwonen van vergaderingen. 1 2 3 4 5 6
3. Het beleid van de organisatie in het algemeen. 1 2 3 4 5 6
4. Werk mee naar huis moeten nemen. 1 2 3 4 5 6
5. Werken op een niveau onder uw kunnen. 1 2 3 4 5 6
6. Persoonlijke overtuigingen, die met de doelstellingen van de organisatie botsen. 1 2 3 4 5 6
7. Veel uren maken. 1 2 3 4 5 6
8. Gebrek aan sociale steun van mensen op het werk. 1 2 3 4 5 6
9. Gebrek aan overleg en communicatie. 1 2 3 4 5 6
10. Niet in staat zijn thuis het werk van u af te zetten. 1 2 3 4 5 6
11. De dreiging van een aanstaand ontslag of vervroegde uittreding. 1 2 3 4 5 6
12. Onduidelijkheid over wat u moet doen. 1 2 3 4 5 6
13. Routinematige administratieve taken. 1 2 3 4 5 6
14. Het gevoel geïsoleerd te zijn. 1 2 3 4 5 6
15. Salarisniveau (inclusief toeslagen en secundaire arbeidsvoorwaarden). 1 2 3 4 5 6
16. De opvatting van uw partner ten opzichte van uw baan en carrière. 1 2 3 4 5 6
17 Ondergewaardeerd worden. 1 2 3 4 5 6
18. Tegenstrijdige taken en eisen in uw functie. 1 2 3 4 5 6
19. Te veel of te weinig afwisseling in het werk. 1 2 3 4 5 6
20. Niet gestimuleerd worden door chefs. 1 2 3 4 5 6
21. Bedekte discriminatie en vriendjespolitiek. 1 2 3 4 5 6
22. De afwezigheid van steun van anderen buiten het werk. 1 2 3 4 5 6
23. Verandering van baan of functie. 1 2 3 4 5 6
24. Moeten voldoen aan een hoog verwachtingspatroon. 1 2 3 4 5 6
25. De moeilijkheidsgraad van het werk. 1 2 3 4 5 6
26. Een slechte onderlinge werksfeer. 1 2 3 4 5 6
27. Tekort aan personeel. 1 2 3 4 5 6
28. De eisen die het werk stelt aan uw privé- of sociaal leven. 1 2 3 4 5 6
29. Een gebrek aan promotievooruitzichten. 1 2 3 4 5 6
30. Veranderingen in de manier waarop u gevraagd wordt uw werk te doen. 1 2 3 4 5 6
31. Teveel kleine klusjes. 1 2 3 4 5 6
32. Misbruik van tijd door anderen. 1 2 3 4 5 6
33. Weinig invloed hebben op de besluitvorming binnen de organisatie. 1 2 3 4 5 6
34. Reizen van en naar het werk. 1 2 3 4 5 6
35. Een slechte aansluiting van het werk bij uw opleiding. 1 2 3 4 5 6
36. Het feit dat werken zoveel verantwoordelijkheid met zich meebrengt. 1 2 3 4 5 6
37. Onvoldoende invloed op de uitvoering van de eigen taken. 1 2 3 4 5 6
38. Botsingen met anderen. 1 2 3 4 5 6
39. Het niet te horen krijgen of u uw werk goed of slecht doet. 1 2 3 4 5 6
40. Het nastreven van een carrière ten koste van het gezinsleven. 1 2 3 4 5 6
41. Het bereiken van uw maximale prestatieniveau. 1 2 3 4 5 6
42. Onzekerheid over wat uw verantwoordelijkheden zijn. 1 2 3 4 5 6
43. Het nemen van belangrijke beslissingen. 1 2 3 4 5 6
44. Onderlinge concurrentie tussen collega’s. 1 2 3 4 5 6
45. De arbeidsmoraal in de organisatie. 1 2 3 4 5 6
46. De invloed op het werk van gebeurtenissen thuis. 1 2 3 4 5 6
47. Onvoldoende mogelijkheden tot persoonlijke ontwikkeling. 1 2 3 4 5 6
48. De status van het werk. 1 2 3 4 5 6

 

© A. Evers, Universiteit van Amsterdam

 

Pacemaker tegen depressie

Pacemaker tegen depressie

4 september 2010 Bron: radio 1

hersenen_0.jpg

Voor mensen die lijden aan een zware depressie en voor wie praten en pillen niet helpen, gloort er nu hoop. In twee Nederlandse ziekenhuizen worden testen verricht met ‘een pacemaker voor de hersenen’. Met behulp van stroomstoten kan de hardnekkigste depressie tot de helft worden teruggebracht. Hoewel deze aanpak van depressies zich nog in een vroeg stadium bevindt, zijn de resultaten van de testen veelbelovend. Damiaan Denys is hoogleraar psychiatrie en hoofd van de afdeling psychiatrie in het Amsterdamse AMC én betrokken bij de tests.

Beluister ‘Denys over tegengaan depressie’

Verbetering van slapeloosheid en andere klachten bij mensen met een depressie

Wil jij meewerken aan wetenschappelijk onderzoek?

Bent u depressief? Dan kunt u zich aanmelden voor een onderzoek van het VUmc en GGZ Buitenamstel in Amsterdam naar de verbetering van slapeloosheid en andere klachten bij mensen met een depressie.

Binnen dit onderzoek kijken wij of een nieuw, reeds effectief en veilig bevonden medicijn een snellere en grotere verbetering van het slaappatroon teweeg brengt dan het al langer bekende antidepressivum Sertraline.

Deelnemers wordt een vergoeding van € 200 geboden.
Leeftijd: 18-60

Belangstellenden kunnen bellen naar:
Mevr. J.G.Both, Mevr. A. Kolodziejski op 020-7885595

Ouderdomsdepressie zichtbaar in de hersenen

Bron: UMC Utrecht

De hersenen van depressieve ouderen wijken af van gezonde leeftijdsgenoten, zo blijkt uit MRI-onderzoek. Bij depressieve ouderen is het hippocampus-gebied kleiner, dat geldt vooral voor mensen die al lang depressief zijn. Ouderen die korter met de aandoening kampen, hebben kleine beschadigingen in zenuwuitlopers, de witte stof van de hersenen. Dit ontdekte onderzoeker Joost Janssen tijdens zijn promotieonderzoek bij de afdeling Psychiatrie van het UMC Utrecht.

Het is een van de eerste Nederlandse onderzoeken naar ouderdomsdepressie via een MRI-scanner. De tweedeling tussen chronische en recent ontstane ouderdomsdepressie is hiermee in de hersenen zichtbaar gemaakt. Waarschijnlijk draagt het verkleinde hippocampus-gebied bij aan de verstoorde balans van stress in het lichaam. Stress speelt een belangrijke rol in depressiviteit.

De resultaten kunnen van belang zijn voor de behandeling. De witte stof-beschadigingen bij ouderen die pas kort depressief zijn, worden waarschijnlijk veroorzaakt door problemen met de bloedcirculatie in de hersenen. Janssen suggereert dat bloedverdunners of hogebloeddruk-medicijnen overwogen kunnen worden als aanvullende antidepressieve therapie.

Joost Janssen is op dinsdag 5 september 2006 aan de Universiteit Utrecht gepromoveerd.

Voor u gelezen

Bron: Depressiecentrum

Het Depressie Centrum heeft voor u een aantal boeken geselecteerd. Deze boeken bevatten informatie die voor de meeste mensen met een depressie of hun naasten inhoudelijk zeer de moeite waard zijn.

U kunt deze boeken bij de bibliotheek lenen of kopen/bestellen bij een boekhandel.

Relevante brochures bij andere organisaties

Film en video

Deze videobanden zijn te verkrijgen via het Fonds Psychische Gezondheid. U kunt de video’s uitsluitend bestellen door het bedrag over te maken op postbankrekeningnummer 3383 t.n.v. Fonds Psychische Gezondheid te Utrecht o.v.v. de titel van de video. De prijs is inclusief verzendkosten.